Natuurlijk heb ik gelijk

Ik haat Parijs.

Het is 1979. Met mijn vriend ga ik met de trein naar Zuid-Frankrijk. Op weg naar Sète hebben we een tussenstop van een paar uur in Parijs. Nog nooit geweest, dus nieuwsgierig. In die tijd laten we ons afblaffen door obers omdat ons Frans beroerd is en we de koffie en het eten niet snel genoeg bestellen. Een zelfde behandeling krijgen we in een dure parfumeriezaak waar ik een geurtje voor mijn moeder wil kopen. Iedereen doet chagrijnig, druk, en niemand spreekt een woord Engels. Weer in de trein besluit ik dat “ik daar nooit meer kom”.

Ongeveer 25 jaar hou ik dat vol. Wat een rot stad. Geen zin in. Mijn man die mooie jeugdherinneringen heeft aan de Franse hoofdstad overtuigt me niet. Wel luister ik graag naar verhalen van mensen die ook te maken hebben gehad met “die onbeschofte Parijzenaars”.

Onze zoon, wiens absolute passie openbaar vervoer is (en dan met name metro’s), wint uiteindelijk. Hij wil zo graag een keer naar Parijs. Dus gaan we. De rest is geschiedenis. Na een week ben ik hopeloos verliefd. En baal ik natuurlijk een beetje dat ik die liefde niet eerder een kans heb gegeven.

olifantEr bestaat  een mooie metafoor van blinde mensen die een olifant onderzoeken:
“Voorbij Ghor was een stad, wiens inwoners allemaal blind waren. Op een dag kwam er een koning met zijn hofhouding en zijn leger naar deze stad en zette daar zijn kamp op. Deze koning bezat een olifant, die hij gebruikte om ontzag af te dwingen bij de mensen.

De mensen stonden te popelen om de olifant te “zien” en sommigen renden vooruit om te ontdekken wat het was. Omdat ze geen idee hadden wat de vorm of het uiterlijk van de olifant was, verzamelden ze informatie door een gedeelte van het ding  te betasten.

Toen ze terugkwamen bij hun stadgenoten, werden ze onmiddellijk omgeven door mensen, die nauwelijks konden wachten om van hen te horen wat ze hadden ervaren. Ze stelden vragen over de vorm en het uiterlijk van de olifant en ze luisterden naar wat hen daarover werd verteld. De man die het oor had aangeraakt zei: “Het is een groot, ruw ding, zo groot als een tapijt.” Degene die de slurf had gevoeld zei: “Ik weet wat het is. Het is een rechte en holle pijp, vreselijk en vernietigend.” De vrouw die een poot had onderzocht zei: “Het is krachtig en stevig, zoals een pilaar.”

Ieder van hen dacht te weten wat het was, omdat hij een gedeelte op de tast onderzocht had. Geen van hen had daardoor een juist beeld van het gehele lichaam gekregen. In plaats daarvan vormden ze allemaal hun eigen beeld van het geheel.”

Wat betreft Parijs was ik ziende blind. Ik ging af op één minder geslaagde gebeurtenis en ontleende daar mijn oordeel aan.

Ik was het bovendien volledig eens met mensen die eenzelfde ervaring hadden en schoof wat niet strookte met mijn waarheid opzij.
In de psychologie heet dat de “confirmation bias”. Het zoeken naar, en overal om je heen bewijzen zien van je eigen gelijk.

In dit geval was die “beperkte zoektocht” niet zo’n probleem, steden genoeg om te bezoeken.
Maar we doen dat ook in andere gevallen.
Hoe is het als je vasthoudt aan een minder goede eerste indruk van een collega met wie je nauw moet samenwerken en niet openstaat voor andere indrukken en meningen?
Hoe is het als je de overtuiging hebt dat je niet zoveel kunt en bereikt als anderen? Dan richt je je alleen maar op informatie die jou je gebreken laat zien: “zie je wel….”. Je kijkt niet meer naar andere informatie en vooral niet naar informatie die er op wijst dat je iets presteert/goed doet. En als je dan een keer iets “goed” doet moet het wel geluk zijn, een uitzondering dus. Met een beetje pech ga je je dan ook gedragen naar je eigen zelfopgelegde en beperkende visie. Dan doe je ook dingen waaruit blijkt dat je jezelf niet zoveel waard vindt.

Waar ben jij zeker van? Durf je je eigen waarheden ter discussie te stellen? Ik ben blij dat ik het heb gedaan. Binnenkort maar weer eens naar Parijs.

 

Nog geen reacties.

Laat een reactie achter

Laat een bericht achter. uw e-mail adres wordt niet gepubliceerd.
css.php